Text by Sander Vloebergs & Pierrette COffrée

Ἐν ἀρχῇ ἦν ὁ Λόγος, καὶ ὁ Λόγος ἦν πρὸς τὸν Θεόν, καὶ Θεὸς ἦν ὁ Λόγος. Οὗτος
ἦν ἐν ἀρχῇ πρὸς τὸν Θεόν. πάντα δι’ αὐτοῦ ἐγένετο, καὶ χωρὶς αὐτοῦ ἐγένετο οὐδὲ ἕν
ὃ γέγονεν. ἐν αὐτῷ ζωὴ ἦν, καὶ ἡ ζωὴ ἦν τὸ φῶς τῶν ἀνθρώπων. καὶ τὸ φῶς ἐν τῇ
σκοτίᾳ φαίνει, καὶ ἡ σκοτία αὐτὸ οὐ κατέλαβεν.

In het Woord was leven
en het leven was het licht van de mensen.
Het licht schijnt in de duisternis en
de duisternis heeft het niet begrepen.

Hier in deze ruimte waar de ogen van rectoren,
als het ware hogepriesters van de rede,
ons toekijken,
hier waar het licht van de rede is doorgedrongen
en heeft wat was verdrongen,
(hier waar Apollo woont en heerst).

O licht,
namiddag licht,
gij die in uw volle klaarte
en volle glans binnenstraalt
(en de tempel volledig verlicht).

Helios, neem ons mee,
draag ons in uw zonnewagen
door dit herfstuur van de dag.

Laat ons thans glijden
over velden van voldragen vruchten,
laat ons proeven van hun rijpheid.
Zacht is de streling van uw voetstappen
over de warme huid van de aarde nu.

Heer, het is tijd.
Der Sommer war sehr groß.
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,
und auf den Fluren lass die Winde los.

Befiehl den letzten Früchten, voll zu sein;
gib ihnen noch zwei südlichere Tage,
dränge sie zur Vollendung hin, und jage
die letzte Süße in den schweren Wein.

Wijn!
Neemt gij ons verder mee,
dieper dan de aarde nog
waar Apollo zich zopas heeft neergevlijd?
Dionysos, vul de kelk! Laat ons drinken,
in elkaar verzinken, verzadigd en verzonken,
dronken, kus mij,
geliefde.

Siet dit es die wijncelle daer minne inne leit hare uut vercoerne, alsoe alse wi leren in haren boeke. Want hier wert karitate geordent ende alle doechde; ende hier inne es wortele, leven, wassen, vutsel ende onthout alre doechde, met ordenen ende met onderschede, in eensamen seden ende in allen goeden werken.

Nochtan blijft minne in die enige celle met haren geminden, boven redene ende boven wise ende boven oefeninge van doechden. Ende si en pleecht niet dan haers selfs, ende si es haren selven ghoech ende aldat si begeert.Want si en soect noch en begeert buten haren selven niet. Ende si es in haren opgange te gode dronken, wiseloes ende sonder maniere. Ende hier omme doet si ons verdolen boven redene in onwisen ende in onwetene sonder gront.

Ik ben zonder grond
onder de grond,
de grond die (steeds nog) draagt de neergevlijde Apollo.
Ik dronk de liefdesdrank in avond-schemering en ben gesluierd,
gij naakt.

Uw hart staat open, und man kann hinein.
Das hätte dürfen nur mein Eingang sein.
Nun bist du müde, und dein müder Mund
hat keine lust zu meinem wehen Munde
– O Jesus, Jesus, wann war unsre Stunde?
Wie gehn wir beide wunderlich zugrund.

Neem me mee doorheen de nacht
tot ik nacht zelf geworden ben,
gebeiteld uit marmer
door een engelenhand.

Zwart als pupillen, zwart als lichtverslindende ogen – Черная как зрачок, как зрачок сосущая
Свет – люблю тебя, зоркая ночь.
Голосу дай мне воспеть тебя, о праматерь Песен, в чьей длани узда четырех ветров.
Клича тебя, славословя тебя – я только Раковина, где еще не умолк океан.
Испепели меня, черное солнце – ночь!
Ночь! я уже нагляделась в зрачки человека!

O Nacht!
Door het masker en door de blik van de uil
kijk ik je wederom aan, licht!
Begrijp je mij nu?
Laat mij u omarmen
zoals een moeder haar kind
zoals een bruid haar bruidegom
zoals de nacht de dag.

Neer leg ik mijn sluier
opstaan wil ik
uit de sluimering.

ik sta
ik sta hier
ik ben nu dageraad
ik ben raadsel én rede
ik ben sluier en gelaat
ik ben Aurora
Mater Dolorosa
ik ben de Logos die draagt
ik ben de winnaar die overwonnen wordt

Heer, het is tijd.

Performance in honor of emerita prof.dr. Katlijn Malfliet, Leuven, September 20th 2019.